|
|
|
De praktijk
Ronald Schouten is een van de vijf huisartsen in de praktijk die deel uitmaakt van een zorgcentrum. Hier zijn ook een hidha (huisarts in dienst van een huisarts), een huisarts in opleiding, twee co-assistenten, twee longverpleegkundigen, drie praktijkassistentes, een diabetesverpleegkundige, een fysiotherapeut en een diëtiste werkzaam. Ook is er een afdeling van Parnassia gevestigd en een operatiekamer voor kleine verrichtingen.
Wat is uw voorgeschiedenis?
“Ik heb gestudeerd aan de VU en ben sinds tien jaar huisarts. Daarvoor was ik zeven jaar assistent Chirurgie, waarvan vijf jaar in Duitsland. Ik ben ook drie jaar assistent Internist geweest. Toen ik klein was, wilde ik patholoog-anatoom worden. Je had toen dokter Zeldenrust, de politiepatholoog die hielp bij het oplossen van moorden. “Dokter Zeldenrust doet sectie”, dat sprak tot de verbeelding!”
Wat vindt u leuk aan het vak?
“De verscheidenheid aan mensen, de types en de verhalen, de onverwachte dingen waarmee je in aanraking komt. Ik doe redelijk veel thuisvisites en ben altijd benieuwd of het beeld dat je van mensen hebt, ook klopt als je hen thuis treft. Een groezelig mannetje woont meestal in een smerig huis, maar een keurig dametje kan ook een vies huis hebben.
En ik vind het leuk om mijn zegje te doen over ‘t welzijn van mensen. De huisarts moet alles weten, maar er zijn natuurlijk ziektebeelden die ik niet ken. Het merendeel van alle klachten is trouwens na drie weken weer over. Maar dan er is toch nog een soort hulpvraag van mensen. Ze willen een diagnose horen!”
Wat vindt u minder leuk aan het vak?
“De administratieve rompslomp die met het nieuwe zorgstelsel sterk is toegenomen. De wirwar aan briefjes en machtigingen, informatie van letselschadebedrijven, verzekeringen; het is om horendol van te worden.
En de drammerigheid van veel patiënten. Men wil binnen één dag beter zijn, neemt geen tijd meer om uit te zieken. Er is bij veel jongere patiënten een verwijzingsdrang die vooral voortkomt uit onwetendheid. Keelpijn en griep kunnen gewoon een week duren. Er zijn wel veel medische programma’s, maar daarin worden dit soort simpele dingen niet verteld.”
Wat zijn voor u de sterke kanten van het MCH?
“Het MCH is in mijn ogen een topklinisch ziekenhuis. Ik verwijs nogal eens naar de KNO-artsen. De Kindercardiologie vind ik ook een goede afdeling. En de Kinderoogafdeling met dokter Joosse en de speciale optometristen.”
En de minder sterke kanten van het MCH?
“Ik denk dat het MCH zich te weinig profileert aan deze kant van de stad. Dat is jammer, want er zijn veel goede dokters. Het is ook merkwaardig dat veel mensen het MCH zien als een allochtonenziekenhuis, terwijl hier in het HagaZiekenhuis evenveel hoofddoekjes te zien zijn!”
Wat zijn uw angsten voor de toekomst?
“Door de commercialisering moet je zoveel patiënten “erdoor jagen”. Dat heeft weinig meer met ethiek te maken. Ik ben bang dat er weer ziekenhuizen dichtgaan en dat je er nog maar twee overhoudt. Dat worden dan een soort gezondheidsfabrieken, met onpersoonlijke contacten.”
Hebt u nog wensen voor de toekomst?
“Het zou goed zijn om, bijvoorbeeld één keer per jaar, de huisartsen uit te nodigen voor een praatje van de nieuwe specialisten. Dat lijkt mij juist zo belangrijk voor het verwijzen door de huisartsen.”

